Brommertjes

Onze reis ging verder naar Palawan. Via een vlucht vanuit cebu city kwamen we vrijdag aan in Puerto Princesa. Je merkt aan het aantal blanken dat het hier een stuk touristischer is. We zijn zelfs twee backpackende nederlanders tegengekomen.

Palawan is groen! Overal bossen palmbomen en stuk kleiner allemaal. Minder verkeer. Dus om dat te veranderen hebben we gelijk na aankomst in ons mooi bamboe huisje, twee brommertjes gehuurt. 125cc, ik semi-automaat en Hugo schakel. Ik had natuurlijk een gele. De komende dagen was dit mijn nieuwste beste vriendje. We tufte overal heen. Totaan de haven, daar mochten we niet in. Allereerst tanken, je krijgt hem leeg mee. Hoeveel wil je erin? ehhh, doe maar 200peso? Weet ik veel. Oh er gaat maar 170peso aan benzine in? Ook goed. Achteraf bleek je daar zeker 1 week op te kunnen rijden, maar tja we waren nog beginnertjes op brommer gebied.

Een van de doelen was een butterflyfarm ergens in San Monica. Dat was erg grapig ik volgde de jeepneys die puerto – san monica op de zijkant hadden staan. Via wegen die plotseling ophielden en na 100 meter hobbelen weer verder gingen kwamen we op een vaag kruispunt uit. “Meneer, weet u welke kant San Monica op is?”. Beetje verbaast en lacherig kijkt hij me aan en wijst naar beneden, Ja dat is hier. Oh… snel herstel ik me met een iets betere vraag: “Weet u waar de butterfly farm is?” Ja zeker, rechtsaf wijst de man aan. Blij dat deze vraag meer succes opleverde kijk ik Hugo, die naast me staat te brommen, lachend aan. “Die kant op!” Zeg ik vervolgens heel overbodig en zoef de straat in. Oplettend dat ik geen tricycles, honden, kippen of mini-vans van de sokken rijd.

De butterfly farm deed zijn best om tourisch te zijn. Net niet gelukt want je kon daar niets drinken! Een lekker koel drankje gaat er altijd in na een warme stoffige rit in een prachtige butterfly farm. Maar genoeg reptielen inclucief een beercat, een diertje zo groot als een wasbeer. Nog nooit van gehoort, komt alleen voor in Palawan. Wel vond ik de kooi zielig, geen plek om je te verschuilen voor de bezoekers. Maar ze zagen er goed en gezond uit.

Hugo: In de native village die ze ook hadden liepen wat figuranten in soort onderbroeken rond. Eerst een albino slang om de nek krijgen en vervolgens een donders leuk info showtje over de inheemse manier van leven. inclusief demo van de originele tweesnarige gitaar en de blaaspijpen voor het jagen. Willem Tell is er niets bij.

Ondertussen had Hugo zijn eigen snorkel en bril aangeschaft. Dat was nog erg zoeken geweest, want echte duikshops zijn niet te vinden. Na de butterfly farm gingen we dan ook opzoek naar de kust, want behalve een oersaaie boulevart en een haven, hadden we nog geen strand gezien. Prachtig bewaakt strand toevallig gevonden aan het einde van een bosweggetje. met strandhutjes op poten en bossen in het water. Hier heerlijk gezommen en genorkelt ook al was er niets te zien. Hugos snorkel bleek lek te zijn. LEKker is dat! We gaan gewoon terug. Zo gezegt zo gedaan. Na het zwemmen weer op ons brommertje gestapt naar de dive toko. Daar stond een grote kale-man-sie, die erg leek op Hugo alleen twee keer zo dik en 1 kop groter. Hij vroeg hoeveel Hugo er voor betaald had, “Nou, 600peso wat er op stond”. Vervolgens krijgt Hugo een veel betere in zijn handen gedrukt. Deze zou niet moeten lekken. Beterrr! Nu zijn we klaar voor het echte snorkel werk in El Nido.

Hugo: Brommertjes moesten we weer inleveren. Via de tricicle naar een restaurant tip uit de lonely planet gegaan. Was idd de moeite waard. Via een loopbrug door het bos in de zee komen we in het open gebouw wat boven de zee uit het bos steekt. prachtige panorama van ondergaande zon, zee, strand en waterbomen.
Hier dan eindelijk een hele Lapu lapu vis besteld. Gestoomd met slechts een beetje soja. Dat kunnen ze dan wel weer!
En een mannetje op een keyboard reeg het ene bekende melodietje na het andere aan elkaar. Duurde even voordat we door hadden dat het geen knock-off cd wass maar een eigen versie van deze virtuoos. Voldaan zakten we in de tricycle naar huis.